Foto en tekst © Fam de Moor


Gebruikt u foto's, film en/of teksten :
Vraag dan eerst toestemming.

En altijd bron vermelding

Foto’s en tekst van andere worden met toestemming gebruikt  en opgeslagen in archief voor hergebruik.

AKALA DAGBOEK

Dagboek van een kweker 24.

 

Inka kaketoe.                                                                                 

Tekst  Piet Rozendaal

 

 

Met zijn toonaangevende rood-geel-rood gestreepte kuif en witte vleugels met een donker roze onderkant is de Inka kaketoe (Lophochroa leadbeateri) een wens voor menig kaketoe liefhebber. Andere namen zijn Major Mitchell's Cockatoo en ook wel worden de namen Leadbeater's Kaketoe en Roze Kaketoe gebruikt. Het is een middelgrote kaketoe uit de droge en semi-droge gebieden in het binnenland van Australië.

 

Systematiek en naamgeving.

Over de wetenschappelijke naamgeving is in de loop der tijd nogal wat te doen geweest. Zijn eerste naam Plyctolophus leadbeateri kreeg hij in 1831 van Vigors, daarna kreeg hij de naam Lophochroa leadbeateri in 1857 van Bonaparte, waarna de geslachtsnaam Cacatua vele jaren gebruikt is. Deze is tegenwoordig ook weer achterhaald en de wetenschappelijke naam Lophochroa is weer terug gegeven. Zijn tweede wetenschappelijke naam leadbeateri dankt hij aan de Britse natuuronderzoeker en ornitoloog, Benjamin Leadbeater (1760-1837). De niet wetenschappelijke naam Major Mitchell’s kaketoe is vernoemd naar Major Sir Thomas Mitchell, die in de jaren 1800 een landmeter en ontdekkingsreiziger was van Zuidoost-Australië.

 

De Inka kaketoes waren vroeger onderverdeeld in meerdere ondersoorten, Lophochroa l. leadbeateri (Vigors, 1831), Lophochroa l. mollis (Mathews, 1912) en Lophochroa l. superflua (Mathews, 1917) en Lophochroa l. mungi (Mathews, 1927) allemaal gebaseerd op basis van grootte en hoeveelheid kleur van de kuifveren. De superflua en mungi zijn geen erkende ondersoorten meer als gevolg van onvoldoende morfologische verschillen en geografische isolement. De kuifbandverdeling kan helpen de twee overgebleven ondersoorten te onderscheiden, die van de leadbeateri bevat een behoorlijke gele band in het midden, terwijl die van mollis weinig tot geen geel bevat. Maar recent onderzoek van 22 wild gevangen paren en onderzoek van museumbalgen toont aan dat ook de criteria voor deze ondersoorten nog niet geheel kan worden bevestigd. Ook kan nog opgemerkt worden dat de gele band bij de poppen breder is dan bij de mannen.

 

Er wordt wel eens verwantschap bepleit met de andere roze kaketoes, de Rosé kaketoe (Eulophus roseicapilus), maar dit is ook nog niet zeker. Mogelijk zijn ze dichter verwant aan de Cacatua soorten dan aan deze, en waren zij in de evolutie waarschijnlijk de eerste kaketoes met het kuiftype van de Cacatua kaketoes, zodat de voorouders van de witte kaketoes waarschijnlijk moeten worden gezocht bij de Inka kaketoes. Een andere indicatie dat de witte kaketoes zich van deze soort hebben afgesplitst is de aanwezigheid van de klaaglijke jodelende kreten en de ronde vorm van de vleugels die uniek zijn voor zowel de Inka- als de echte witte kaketoes. Net als de Rose kaketoe heeft de Inka kaketoe het vermogen van pigmentkleurstoffen in de lichaamsveren niet verloren, hoewel hij geen melanine produceert voor de kleuring.

 

Habitat.

De Inka kaketoes zijn te vinden in alle staten van Australië, met uitzondering van Tasmanië. Ze vermijden hier echter de zeer droge gebieden, en schuwen ook de meer vochtige kustgebieden. Ze komen nu nog lokaal op behoorlijke schaal voor, maar in een groot deel van hun verspreidingsgebied worden ze al relatief zeldzaam. Zeker in Queensland, waar veranderingen in het grondgebruik een significant effect heeft gehad op hun verspreiding. Maar in het uitgestrekte Australische binnenland komen ze in een onregelmatige verspreiding nog in een groot deel voor.

 

De Inka kaketoes bewonen een breed scala aan bossen en boomloze habitats in de droge tot half droge regio’s, maar altijd binnen bereik van water. Ze bewonen hier struikgewas, beboste graslanden en savannes, maar voor het nestelen zoeken ze de beboste gebieden op. Ze leiden daarbij vaak een nomadisch zwervend bestaan om voldoende voedsel te vinden, normaal in paren of kleine groepen, maar buiten het broedseizoen vindt er vaak interactie met veel andere paren plaats en creëren ze groepen van 10 tot 50 soms honderden vogels, daar waar voedsel overvloedig aanwezig is. Ze worden dan ook vaak samen gezien met andere kaketoe soorten, waaronder Rose kaketoes (Eolophus roseicapillus) en Naaktoog kaketoes (Cacatua sanguinea). Ze foerageren zowel in de bomen als op de grond waar ze zich vooral voeden met zaden van verschillende soorten planten, knollen, wortels, wilde uien, bessen, bloemen, pollen en de zaden van inheemse en exotische meloenen of in de bomen met de zaden van soorten van de Saltbush, Eucalyptus en Cipres dennen. Met hun snavel kraken ze de zaden, maar breken ook boomtakken open op zoek naar insecten en hun larven.

 

Het zijn zwakke vliegers, wat zich kenmerkt door langzame, moeizame, vluchten op geringe hoogte. Ze vliegen vaak maar korte afstanden en rusten dan alvorens opnieuw op te vliegen. Ze  zijn ook vaak huiverig om over open, boomloze habitats te vliegen, dus zijn er in Australië inspanningen ondernomen om vegetatiegangen te creëren om zo verschillende habitats met elkaar te verbinden. Ze hebben een karakteristieke "kreek-ery-kreet" roep die te horen is op ongelooflijke afstanden. Ze maken gebruik van een zachter geluid wanneer ze foerageren. Hun kuif gebruiken ze om visueel de aandacht te trekken van een partner of om bij alarm en noodsituaties naar nabijgelegen vogels te communiceren. De pop gebruikt hem om zich af te weren tegen al te opdringerige mannen. Maar de kuif wordt ook gebruik als onderdeel van paringsrituelen, dan zal het mannetje visueel de kuif opzetten naar de pop en met zijn kop heen en weer bewegen, verder het lichaam heen en weer zwaaien en de vleugels opzetten. Eenmaal gekoppelde paren voeren elkaar regelmatig om hun levenslange band te versterken.

 

Broeden in het wild.

In tegenstelling tot de Rose kaketoe is het aantal Inka kaketoes de laatste jaren door ontginningen afgenomen. Het aantal Rose kaketoes is juist gestegen als gevolg van deze kunstmatige veranderingen in het dorre binnenland van Australië. Waar de Rose kaketoe gemakkelijk ontgonnen en gedeeltelijk ontgonnen land inneemt, vereist de Inka kaketoe juist het behoud van de uitgestrekte bossen, in het bijzonder Callitris-, Allocasuarina-, Acacia- en Eucalyptusbossen.

 

Hun broedseizoen loopt van juli tot januari en ze broeden dan afhankelijk van waar ze zijn. Sommige noordelijke populaties beginnen al met broeden in mei, terwijl ze in het zuiden pas later in het jaar broeden. Hiervoor wordt een holte, hoog in een eucalyptus boom gebruikt. De koppels zijn meestal partners voor het leven en broeden zeer territoriaal. Want in tegenstelling tot andere kaketoes nestelen Inka kaketoe paren niet dicht bij elkaar. Ze nestelen niet op minder dan 1 km van een ander broedpaar en eisen daarbij een gebied op met een straal van 2 km rondom het nest. Ze steken daarbij veel energie in de verdediging van dit gebied, daarom zien we meestal niet meer dan één broedpaar per 30 vierkante kilometer broeden. De boomholten bevinden zich zo’n 3 tot 20 m boven de grond, bij voorkeur in een eucalyptus boom in de buurt van water. Ze maken zelf geen nieuwe holten maar zijn afhankelijk van op natuurlijke wijze ontstane holten of holten die gemaakt zijn door andere soorten. Zowel het mannetje als de pop bouwen aan het nest en bekleden dit met stukjes schors dat de vogels strippen van de bomen en met stukjes hout en kiezels, enz. Hetzelfde nest wordt vaak jaar na jaar gebruikt. Twee tot vijf eieren worden gelegd met een interval van een ei per 2 tot 3 dagen en beide ouders broeden (ongeveer 28 dagen). De man broedt over het algemeen tijdens de dag en de pop ’s nachts, daarna verzorgen ze ook samen de jongen die vaak bij de ouders blijven en een familiegroep vormen.

 

Dit territoriale gedrag vormt een belemmering voor het voortbestaan van de soort. Want meerdere paren in een gebied zijn zo niet in staat om gebruik te maken van de beschikbare nestplaatsen, omdat het dominantste paar broed zal de rest niet tot broeden komen, waardoor hun aantal in het wild steeds verder afneemt.

 

In de regio van Victoria, waar in hetzelfde gebied zowel de Rose kaketoe als de Inka kaketoe wordt gevonden en nestelen, komen af en toe kruisingen van de twee soorten voor.

 

Instandhouding.

Inka kaketoes accepteren meestal dus geen gefragmenteerd en gedeeltelijk gekapt bos. De populaties zijn de afgelopen jaren dan ook afgenomen als gevolg van habitatverlies en versnippering. Een groot deel van het bosleefgebied is geruimd voor boerderijen en akkers. Het kappen van oude bossen verminderd ook drastisch het aantal natuurlijke boomholten voor het nestelen. Daarnaast moeten ze ook nog oppassen voor roofdieren zoals valken en adelaars, maar ook Rode vossen en katten azen op deze soort. Een positief effect is dat de Inka kaketoe ecotoerisme op gang brengt naar de gebieden die hij bewoont. Een van de weinige negatieve effecten van de Inka kaketoe op mensen is, wanneer hun natuurlijke voedselmiddelen schaars zijn, de vogels zich voeden met landbouwgewassen. De voor hun negatieve gevolgen hiervan is de illegale vervolging door boeren. De vervolging van een aantal andere vergelijkbare kaketoesoorten door de boeren is wel legaal. Nog een negatief effect van mensen op hun populatie is hun populariteit als huisdier. Vanwege de hoge marktwaarde van deze soort in de huisdierindustrie, worden ze bedreigd door mensen die illegaal eieren, kuikens, of volwassen vogels verzamelen. Lokale inspanningen moeten er toe leiden het publieke bewustzijn en begrip voor deze endemische soort te verbeteren.

 

Broeden in de liefhebberij.

Het samenstellen van een koppel is vrij eenvoudig, al lijken de seksen op elkaar. Volwassen vogels kunnen worden gesekst aan de kleur van de ogen. De  pop heeft een roodbruine iris, terwijl een man een donkerbruine tot zwarte iris heeft, een onderscheid dat zich ontwikkelt tegen het einde van het eerste jaar. De poppen zijn meestal ook iets kleiner, en al zijn ze vergelijkbaar in hun gevederte met mannen, toch is er wel iets verschil, hun verenkleed is doffer en de bovenkant van de buik is vaak witter. De kuif van de poppen kan een iets grotere gele band hebben. Jongen lijken op de pop, maar met een bleker verenkleed.

 

Kaketoes fokken kan zeer uitdagend maar ook frustrerend zijn en de Inka kaketoe is daar geenszins een uitzondering op. We hebben allemaal misschien weleens de succes verhalen van fokkers gehoord over het gemakkelijk kweken van kaketoes. Maar meestal hebben we ook wel van de teleurstellingen gehoord vooral bij de fok met Inka kaketoes. Mannetjes kunnen namelijk soms zeer agressief zijn en daarbij heel snel de pop doden. Nestkasten met een dubbel invlieggat waardoor de pop die onder vuur ligt kan ontsnappen zijn meestal aan te bevelen, net als ruime volières met veel dekking. Als mannetjes veel en vaak agressie vertonen ten opzichte van hun partner kan je eerst nog overwegen de vleugels te knippen, mocht dit niet de gewenste resultaten geven dan kunnen ze beter uit een fokprogramma genomen worden.

 

Veel fokkers hebben het over een incubatieperiode van 24 tot 26 dagen. Maar door temperatuurschommelingen tijdens de incubatieperiode kan het ook gebeuren dat het eerste kuiken pas na 27 dagen uitkomt en het laatste kuiken na 30 dagen. Dus wees er niet te snel bij om de eieren weg te halen. Kuikens kunnen soms onderling uitkomen met een tussen periode van vier dagen, ook al is incubatie gelijktijdig begonnen. Jonge kuikens worden constant gevoed, dag en nacht. Zorg voor voldoende calcium in hun voeding. J jonge Kaketoes (van alle soorten) kunnen gevoelig zijn voor calcium tekorten. Als het eerste kuiken na 55 dagen uitvliegt, kan het soms nog wel enkele dagen duren voordat de overgebleven kuikens het nest verlaten. De ouders, maar meestal de man, voeren de jongen na het uitvliegen nog zo’n 8 weken. Maar soms hebben de jongen behoefte om veel langer bij de ouders te blijven dan bij de andere kaketoesoorten. De jongen zijn geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar.

 

Groeten, Piet Rozendaal

www.peroda-natureart.nl

www.facebook.com/piet.rozendaal.5

 

Dank je wel Piet

 

 

GEOPHAGIE (de officiële benaming van aarde/klei eten.

 

Wil

www.kvvv.nl

 

Waarom eten dieren, en soms ook mensen aarde of klei?

 

 

Het Macaulay Instituut in Aberdeen heeft 30 kleimonsters onderzocht, waardoor is vastgesteld dat deze bacteriële, parasitaire en chemische gifstoffen opruimen. De wetenschappelijke analyse bevestigt dat het “een vuile maag reinigt”. Ook bleek dat het veel sporenelementen en mineralen bevat.

Men denkt dat dieren aarde/klei eten om gifstoffen te neutraliseren welke zij binnen krijgen door het eten van giftige zaden, bessen en planten. Het overgrote percentage dieren wat aarde/klei eet is namelijk Herbivoor, (planteneters). Bij Carnivoren, (vleeseters) is dit vrijwel niet waargenomen.

Dieren eten dit seizoengebonden, meestal in de droge periode.

Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn, dat wanneer dieren drinkplaatsen bezoeken, zij ook de in het water opgeloste aarde/klei van de poelen opnemen. En hierdoor de nodige sporenelementen en mineralen binnen krijgen.

In de droge periode zijn waarschijnlijk de giftige zaden en bessen rijp, zodat dieren, na het binnen krijgen van gif, de behoefte hebben aan het eten van aarde/klei. Er zijn talloze theorieën over.

 

 

In Zuid-Amerika bezoeken, uitsluitend in de droge periode, dagelijks vele soorten papegaaien in grote groepen de Clay licks.

De grote papegaaien zoals Ara’s en Amazones eerst, daarna, op een tijdstip wat vooraf lijkt afgesproken, groepsgewijs de kleinere soorten. Velen van ons hebben dat kunnen zien in natuurfilms. De voorkeur gaat naar een speciaal samengestelde grondsoort/klei uit. Deze is zeer fijn van structuur. De lagen zijn vaak slechts 10 tot 15 cm. dik. De lagen met een andere structuur worden niet bezocht.

Ook papegaaien in Afrika en Australië bezoeken drooggevallen drinkplaatsen om klei te eten. Bij apen en hoefdieren heeft men dit ook waargenomen.

 

Voor menselijk gebruik zijn er ook diverse soorten klei te koop, meestal bij natuur drogisten (en handenarbeid zaken). Zij verkopen een assortiment geschoonde kleisoorten. Het zou dichtgeslibde cellen reinigen, en schadelijke bacteriën elimineren. Werkt tegen ontstekingen, abcessen en zweren in het maag/darmkanaal. Groene klei werkt tegen schimmels. Er wordt aangeraden 2 x per jaar te kuren.

Let op; Het gebruik kan invloed hebben op de werking van geneesmiddelen.

 

Het wordt ook aan vogels verstrekt die coccidiose gevoelig zijn, zoals Europese cultuurvogels.Wanneer leem eenmaal per week aan de vogels wordt verstrekt, zou het preventief werken tegen coccidiose.

Een paar merknamen zijn; leem  van Vertagil, klei van Argiletz, mineraalaarde van Luvos.

 

 

Er wordt gesproken over heilaarde, klei en leem.

Deze namen zijn een aanduiding dat het gaat om geneeskrachtige aarde, rijk aan minerale zouten, sporen elementen en enzymen. Vaak afkomstig van gletsjers, rivierbodem, zeebodem, en vulkanen.

 

Voor prachtvinken kunt U het beste klei in poedervorm kopen in reformzaken. Dat is goed door het eivoer te mengen. Klei zullen zij niet snel opnemen.

Het is een natuurlijk product dat heilzaam werkt voor mens en dier. Het voert schadelijke bacteriën af en houdt de darmflora in evenwicht.

Vogels nemen op wat zij nodig hebben. U kunt dus niet “over doseren”.

 

 

 

Wil

www.kvvv.nl

 

Vriendelijke Groet.
Ed en Thiely de Moor.

papegaai@akala.nl
www.akala.nl  

 

Foto en tekst  @ Fam de Moor
Gebruikt u foto's, film en/of teksten : Vraag dan eerst toestemming.

Foto’s en tekst van andere worden met toestemming gebruikt  in ons dagboek,

en in dagboek-archief opgeslagen voor hergebruik.

 

Onze dank hier voor

 

 

 

 

 

24